Biergeschiedenis aan boord van een pinas
Aan de kade van Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Rotterdam, Delft of Middelburg begint de reis niet in stilte, maar in beweging. Touwen schuren langs hout, mannen roepen over het water, karren rijden af en aan en vaten verdwijnen aan boord tussen pek, natte planken en zoute lucht. Alles staat in het teken van vertrek. Voor veel schepen uit Holland liep die uitvaart uiteindelijk via de rede van Texel, waar de vloot zich verzamelde voor de grote oversteek. Een pinas hoorde in die zeventiende-eeuwse wereld thuis als een groot bewapend handelsschip, snel, zeewaardig en gebouwd voor werk, vracht en gevaar.
Aan boord kwam de bemanning lang niet alleen uit de Republiek. Tussen de Nederlanders stonden ook Duitsers en andere Europeanen, aangemonsterd voor een bestaan dat zwaar, onzeker en strak geregeld was. Je hoorde er dus niet één stem, maar vele accenten door elkaar. Het leven volgde het ritme van wachten van vier uur, gemeten met zandlopers en aangegeven door de scheepsbel, ieder half uur opnieuw. Zo kreeg de dag op zee zijn vaste cadans van arbeid, aflossing, eten en drinken.
Ook bier hoorde bij dat ritme, maar niet ieder bier was geschikt voor zo’n reis. Het lichte scharrebier van het dagelijks leven aan wal was te kwetsbaar voor maanden op zee. Voor de VOC koos men juist houdbaarder bier: Luiks bier, Brunswijker mom en moutrijk jopenbier gingen mee omdat hop en stevigheid de reis beter konden doorstaan. Het bier van de kapitein en stuurman was daarbij vaak van hogere kwaliteit dan dat van de gewone bemanning.
Je ziet het voor je: mannen komen uit hun wacht, de bel heeft geklonken, het schip ruikt naar pek, nat hout en zout, en ergens gaat de drank rond. Niet als los feest, maar als onderdeel van orde en overleven. Er werd niet zomaar gedronken wanneer men wilde; het moment hoorde bij het scheepsritme, bij de maaltijden en bij de rust tussen twee stukken werk. Zo werd bier op een pinas onderdeel van de Gouden Eeuw zelf: van haven, handel, hiërarchie en zee.