🍺 Geschiedenis
Wie zich Ruinen in de twaalfde en dertiende eeuw voorstelt, ziet geen groot dorp, maar een kleine nederzetting op hogere zandgrond, in een landschap van essen, beekdalen, vochtige weiden, heide en veen. Op de stevigere gronden lagen de erven, akkers en paden; daarbuiten begonnen de lagere, nattere delen van het land, waar water bleef staan en de bodem donkerder en zachter werd. Juist dat samenspel van hoog en laag, droog en nat, bepaalde het ritme van het leven. Hier werd gewoond, gewerkt, geloofd en overlegd in een wereld waarin het dorp nooit losstond van de grond waarop het leefde.
Ruinen was in die tijd meer dan een verzameling boerenerven. Het dorp hoorde bij een bredere wereld van gemeenschap, grondgebruik, geloof en gezag. Kerk en klooster gaven er niet alleen geestelijke richting, maar brachten ook orde, bezit en invloed met zich mee. Het Sint-Mariaklooster, dat in de twaalfde eeuw in Ruinen wordt genoemd en later naar Dikninge werd verplaatst, laat zien hoe nauw geloof en dagelijks bestaan hier met elkaar verweven waren. Ook de boeren leefden niet als losse huishoudens naast elkaar. In een Drents dorp als dit hoorde het bestaan bij gemeenschappelijk gebruik van gronden, overleg over rechten, grenzen en gebruik, en een dorpsorde waarin men van elkaar afhankelijk was.
Een dag begon er vroeg. Nog voor het volle licht over de essen viel, zal er al beweging zijn geweest op de erven en rond het klooster. Vee moest worden verzorgd, hout gehaald, gereedschap nagezien, graan gecontroleerd en het werk van de dag verdeeld. Op het land draaide alles om zaaien, maaien, oogsten, drogen en bewaren. Er werd gekookt, gebakken, gesmeed en gerepareerd. In schuren en opslagplaatsen lagen voorraden die het verschil konden maken tussen overvloed en tekort. In en rond het klooster begon de dag volgens een vaste orde van gebed en arbeid. Juist daardoor past ook het beeld van monniken op het land in deze wereld: niet als versiering van het verhaal, maar als deel van een gemeenschap die met grond, voedsel en beheer verbonden was.
Wat er groeide, was breder dan alleen tarwe. Op de zandgronden van Drenthe passen juist rogge, gerst en haver, met daarnaast bonen en andere gewassen die in een gemengd landbouwsysteem thuishoorden. Daarmee begint ook de biergeschiedenis van Ruinen. Wat later in beker of vat terechtkwam, begon niet pas bij het brouwen, maar op de akker zelf. Bier hoorde in de middeleeuwen bij het gewone leven en stond dicht bij maaltijd, arbeid en huishouding. Het was geen los luxeproduct, maar deel van een samenleving waarin graan werd verbouwd, verwerkt en bewaard.
Maar niet alles voor dat bier kwam van de akker alleen. In de lagere, natte delen van het landschap, waar heide, veen en moerassige randen begonnen, groeiden ook planten die bij de oudere biercultuur hoorden. Wilde gagel past juist bij zulke zure, voedselarme en natte gronden. Daardoor kwamen in Ruinen de grondstoffen voor bier bijna uit het landschap zelf naar voren: op de hogere essen groeiden de granen, in de vochtige randzones vond men kruiden die in oudere bieren een rol konden spelen. Zo raakten akker en wildernis, cultuurgrond en veenrand elkaar zelfs in wat men dronk. Van es en erf tot klooster en beker hing alles met alles samen.